De Europese Unie hanteert bepaalde minimum- en maximumtarieven voor de BTW die door alle lidstaten moeten worden gerespecteerd. Binnen deze marges mogen landen hun eigen BTW-beleid vormgeven, waardoor zij hun inkomsten kunnen optimaliseren en beleid kunnen afstemmen op nationale behoeften.
Binnen de EU mogen BTW-tarieven niet lager zijn dan 15% en niet hoger dan 27%.
Deze ruimte zorgt voor aanzienlijke verschillen tussen de lidstaten. Het huidige EU-minimumtarief van 15% wordt in de praktijk niet meer toegepast; Luxemburg heeft met 17% het laagste hoge tarief binnen de EU. Aan de andere kant staat Hongarije, dat met 27% het hoogste BTW-tarief hanteert.
Voor bedrijven die BTW-neutraal werken zijn hoge of lage tarieven niet direct een kostenpost, maar ze hebben wel invloed op de liquiditeit. Hoe hoger het tarief, hoe meer BTW u tijdelijk moet voorfinancieren totdat de buitenlandse belastingdienst deze terugbetaalt.
Naast de hoge standaardtarieven bestaan er ook uitzonderingen, verlaagde tarieven en vrijstellingen voor specifieke goederen en diensten. Denk aan voedingsmiddelen of andere basisproducten die in veel landen onder een laag tarief vallen (bijvoorbeeld 9% in Nederland).
Hoewel de EU duidelijke grenzen stelt, blijft er dus veel variatie mogelijk, met merkbare gevolgen voor internationale ondernemingen die in meerdere lidstaten actief zijn.